Werner Watty

Werner Watty etst, tekent en schildert. Telkens op een manier die verbazing wekt, die bewondering oproept, die intrigeert en vaak een glimlach ontlokt. Het gezegde dat een goede tekenaar geen knappe schilder is of kan zijn gaat niet op, als men zijn oeuvre van de laatste vijftien jaar bekijkt. Hij munt immers uit in alle drie de disciplines. Zijn droge naalden zijn sierlijk in hun eenvoudige en perfecte lijnvoering. Zijn tekeningen vallen op door een accurate gevoeligheid. Zijn olie op doek schilderijen die deels tekenmatig zijn, deels uitgesproken picturaal geven blijk van een warme en discrete virtuositeit.

In dat deel van zijn oeuvre dat we als schilderkunstig zouden kunnen omschrijven buitelen realiteit en beeldende weergave enthousiast over elkaar heen. Trompe-l’oeil is intens en veelvuldig aanwezig, geen complexe trompe-l’oeil, maar eerder een die te maken heeft met eenvoud, met een concreet beleven van wat zozeer alledaags is dat het even tastbaar als ontastbaar is geworden en dat de fictie, zijnde het getekende of geschilderde, naadloos verglijdt in werkelijkheid en andersom.

Werner Watty speelt met de realiteit en haar antipode. Hij speelt evenzeer met de gedachte die de afbeelding  of het vleugje object vergezelt of die erin verborgen ligt. Het beeld vindt zijn verlenging , die een bijkomende identiteit blijkt te zijn, in het schalkse, het ludieke en vaak het indringende en revelerende van de titel. Die titel maakt van wat staat uitgebeeld de figurant van een speels vertoon, een wezen met op zijn minst een dubbel bestaan. Dualiteit krijgt in zijn gehele oeuvre aldus in feite een enigszins meer dan dubbele rol te spelen, verwerft een betekenis die breder is dan het beeld en zijn naam, dan het afgebeelde en zijn eerste flits van herkenbaarheid.

Merkwaardig in de demarche van Werner Watty is het harmonisch samengaan van wat ludiek en verrassend overkomt in woord/titel en beeld met het raffinement, het wonderbaarlijk pure en gevatte  van zijn vormentaal, zijn lineair vertoon; zijn tengere picturaliteit. Hij plaatst een takje op een doek, op een hagelwit vlak en tart de kijker, in die zin dat die kijker geneigd is het aan te raken, te tasten om te ervaren waar realiteit en fictie elkaar ontmoeten en elkaar verlaten.

Droge takjes met frêle knopjes, planten, bloemen, een bloempot met of zonder plant en beurtelings de tastbare realiteit en de nauwgezette beeldende weergave ervan. In sommige gevallen treden realiteit en fictie, voorwerp en zijn afbeelding tegelijk op en is de overgang tussen de twee een speelse en bijna constante krachttoer geworden. Fundamenteel in de bijzondere uitstraling  die zijn schilderijen bezitten is de realistische en virtuoze weergave die het fijnschilderen benadert of gewoon bereikt maar dan op een heel eigen manier. Veelal beoogt een fijnschilder het opwekken van een verraste bewondering omwille van het raffinement van het vaak statische, strakke en onbewogen naast elkaar tronen van elementen die elkaars schaduw dragen en die op hun flanken de weerkaatsing van het nabije object (fles, glas, koperen plaat, spiegel) dragen. Het fijnschilderen van Watty is van een andere orde. Zijn stillevens leven luid zou men kunnen zeggen en zij glimlachen of schaterlachen hoezeer het ook stillevens zijn. Klinkt dit paradoxaal? Zo ja, dan ligt de verklarende paradox hierin dat hij al zijn wezens en personages als onderdelen van een perfect geschilderd stilleven plaatst en uitbeeldt maar ze tevens een andere functie toevertrouwt dan die van een zelfingenomen onderdeel van een statisch stilleven. Finesse, inventiviteit  en humor zijn immers dominante gegevens in zijn oeuvre van de laatste jaren.

De vaak ludieke ondertoon die Watty aan zijn taferelen geeft verpersoonlijkt hun verschijning. Twee sanseveria’s vormen een dubbelportret zoals dat van een koppel dat troont voor de fotograaf naar aanleiding van een jubileum : de ene rustig voor zich uitkijkend, de andere met een rode bloem in het haar, dat wil zeggen met een rood strikje om het lijf van spitse en harde groene scheuten.                                                                                         Lucifers die uit een doosje ontsnappen zijn speelse insecten, wezentjes met een karmijnrode kopje en een strak lijfje. Een vreemd en virtuoos geschilderd tafereel waarbij alweer de titel of noem het de begeleidende tekst een bijkomende spirituele dimensie creëert. Zijn bloempotten lijken wel portretten van een talrijke familie of een serie burgemeesters in een raadzaal waarbij ieder lid of iedere burgervader zijn gedetailleerde eigenheid reveleert. Wilgentakjes met een of meerdere schuchtere donzige kopjes of knopjes zijn monumenten van sierlijkheid en tastbare aanwezigheid die trouwens in zijn recente werken van steengoed  en houtskool op doek een nieuwe sensibiliteit ontwikkelen waar we straks even blijven bij stilstaan.

Takjes. Zij duiken op in tientallen gedaanten. Zij verschijnen en verdwijnen en sinds kort  laten zij sporen na, sporen van schaduw in een hagelwit vlak dat geen doek is. Zij zijn  tastbaar en dan plots weer opgenomen in het doek als etherisch vleugje olieverf op een witte vlakte om daarna meteen weer tastbaar te zijn. Zij creëren schaduwen die –alweer- beurtelings echt zijn of gefingeerd, nageschilderd of reëel. Schaduwen en steengoed: twee elementen of entiteiten die het recente werk van de kunstenaar bevolken en aldus een spontane aanvulling  blijken zijn in die zin dat zij in de lijn der dingen liggen, heel even verrassen maar meteen daarna als logische aanvulling of verlenging kunnen worden aanzien van wat refereert aan sporen, aan werkelijkheid en haar tegenpool, als ludieke onderneming, als verdere stap in een heel persoonlijk en uniek oeuvre dat evenzeer put in de traditie, in de beeldende verworvenheden als in een hedendaags fris concept.

Sinds enige tijd hanteert de kunstenaar een nieuwe drager die meteen ook –eerder op rustige wijze- een nieuwe discipline inluidt: steengoed. Dit betekent dat hij in een vierkante tegel van wit bakkende chamotteklei een takje perst om daarna klei en hout in een oven op nagenoeg 1080° te bakken. Het resultaat is veelal een witte tegel waarin de afdruk van het houten takje is bewaard maar waarbij in de meeste gevallen het hout is weggebrand. In enkele uitzonderlijke gevallen is nog een vleugje as of donkere afdruk aanwezig. In de meeste gevallen echter is het takje nog slechts als een afdruk, een inkeping, een  subtiel stokje van schaduw, een refereren aan wat in zijn gehele oeuvre van de jongste vijftien jaar telkens opnieuw in een frisse dualiteit verschijnt, namelijk de geschilderde of reële donkerte die het licht creëert of die de kunstenaar imiteert, naschildert, fingeert, omzichtig en met toewijding  zodat finesse ontstaat en trompe-l’oeil om de hoek komt gluren.

Zo belanden we in de sfeer die we aan het begin van onze benadering van zijn werk bijna toevallig hebben aangekaart namelijk de bewering dat een uitmuntende tekenaar geen goede of uitmuntende schilder zou kunnen zijn.  Wie zijn recente ‘schaduwen’ van een plant met fijne vertakkingen en al even fijne blaadjes bekijkt zal ongetwijfeld vaststellen dat de ‘tekenaar’ Werner Watty de schilder Werner Watty niet alleen benadert maar er fier naast mag tronen. Let wel, ik heb niet gezegd dat de ene de andere overtroeft maar wat hij in een aantal recente doeken van schaduwen van een plant heeft verwezenlijkt zet de euvele bewering van daarnet op losse schroeven. Zijn doeken die verglijdende schaduwen weergeven en op subtiele wijze –in de vele betekenissen van het woord- vatten doen ons, alle verhoudingen in achtgenomen, denken aan enkele van zijn vroegere werken waarin aan de hand van de kruissteek –die alle naaiers en naaisters kennen- een tafereel (van onder meer koeien) werd opgebouwd. Spielerei inderdaad, maar dan wel een van hoogste niveau.

Zijn plantenschaduwen reveleren alweer de essentie van zijn beeldtaal en zijn benaderen van de dingen die hem dagelijks treffen en getroffen hebben namelijk zijn schitterend metier, zijn zowel verbale als beeldende humor, de inventieve manier waarop hij de meest eenvoudige dingen zoals wilgentakjes schildert of met houtskool tekent op doek en het lineaire met een doezelaar lichtjes bewerkt zodat een lijn van dons verschijnt.

Bijzonder boeiend en kenmerkend voor zijn speels hanteren van wat bestaande is en tegelijk efemeer is zijn reeks van zeven schaduwen van een plant met fijne vertakkingen en peervormige blaadjes die telkens verschuift zodat een tedere en tengere ritmiek ontstaat van wat door licht wordt gevoed en ervan afhankelijk is voor zijn ontastbaar bestaan.

Er zijn veel redenen waarom het beeldende oeuvre van Werner Watty ons telkens opnieuw verrast, boeit en intrigeert en die hebben zowel met de vorm als met de gedachte te maken. Finesse en humor staan centraal en daarnaast de inventieve manier waarop hij de elementen die zijn thematiek bevolken een verpersoonlijkte allure geeft en tevens de hardnekkige virtuositeit waarmee hij een thema  ten gronde behandelt en uiteenrafelt om  het daarna op een eigen en eigenzinnige manier weer samen te stellen.

Hij heeft inderdaad een eigen wereld uitgebouwd die nog steeds groeit en die als vrij uniek mag worden aanzien en waarvan de onderdelen perfect in elkaar passen ook al zijn zij nauwelijks eerder gezien en ervaren.

September 2014 Hugo Brutin (a.i.c.a.)

E-mail wattietjes@telenet.be

Website www.wernerwatty.be