Op gesprek bij oud-winnaar Paul Rigolle

Dit nieuwsbericht is niet actueel.
Paul Rigolle won een kleine twintig jaar geleden de eerste editie van de Poëziewedstrijd van Oostende. Wij zochten hem op en vuurden onze vragen op hem af.
Het is ondertussen een kleine twintig jaar geleden dat je de Oostendse Poëziewedstrijd won, wat is er je nog bijgebleven van je deelname?

Ondertussen, ik schrik er zelf van, is het inderdaad alweer bijna twintig jaar geleden dat ik de eerste editie van de Oostendse Poëziewedstrijd won.

En nog altijd noem ik mij een gelukkige laureaat.

Ik herinner mij dat ik voorafgaand aan de proclamatie een brief ontving waarin alleen stond dat ik één van de tien genomineerden was en dat de organisatoren zeer hoopten op mijn aanwezigheid. In die periode nam ik wel vaker deel aan literaire wedstrijden. Ik  had eerder al dergelijke poëziewedstrijden gewonnen in Deurle, Brugge, Roeselare en Blankenberge. In Oostende – waar ondermeer Simon Vinkenoog en  Geert Van Istendael in de jury zaten -  rekende ik niet echt op de hoofdprijs. Het was immers de eerste literaire wedstrijd waar je met “slechts” twee gedichten de fantastische prijs van, toenmalig, 100.000 franken, kon winnen.

Ik zie dat je blogt. Omarm je ook het gebruik van andere sociale media? Vrees je de impact van deze en andere vormen van vluchtige media (Facebook, Twitter, SMS) op het taalgebruik van de jongere generatie?

Ja, in twintig jaar tijd is de wereld bijna totaal van uitzicht veranderd. Ik vind dat echt verbazend soms. En zeker ook de snelheid waarmee dat is gegaan. Zelf ben ik altijd geboeid geweest door de opkomst van het internet en van de sociale media. En nog! Het leven kan nooit meer hetzelfde zijn. Eigenlijk was ik één van de eerste bloggers. (“Arcadim in Arcadië”). Twitter, Facebook en Instagram behoren tot mijn werkarsenaal. Ook blijf ik een blog bijhouden. Weliswaar met meer rustpauzes dan dat er activiteit te bespeuren valt. Ik vind, als je iets wil zeggen, elke vorm van medium mag, zelfs moet hanteren… Maar je moet het wel met de hoogstnodige zorg doen… Altijd rekening houden met het feit dat je op het internet sporen achterlaat die niet meer uit te wissen zijn. Je moet dus wel een beetje inschatten wat je al dan niet publiceert en wat je kwijt wil…  Over de impact van die sociale media is nog lang niet alles gezegd. Er zitten, daar zijn we ondertussen met zijn allen achter, ook heel wat kwalijke kantjes aan… Fakenews en allerhande vormen van beïnvloeding worden in de toekomst nog een grotere plaag dan ze nu al zijn.

Welke dichtbundel ligt er momenteel op de koffietafel bij je thuis?

Ik schrijf regelmatig over poëzie. Niet alleen voor “de Schaal van Digther” waarvan ik eindredacteur ben (en waarvan  onder andere ook Oostendenaar Frank Decerf, redacteur is) maar sinds kort ook voor het Kunsttijdschrift Vlaanderen. De poëzie waarin ik mij daarvoor nu laat onderdompelen is een tweetalige bundel van de nog niet zo lang overleden Friese dichter Tsjêbbe Hettinga. ‘Het vaderpaard/It faderpaard, alle gedichten’ is de titel en het is een lijvige bloemlezing van meer dan 800 bladzijden. Heel mooie en bijzonder intrigerende poëzie.


Welk literair tijdschrift of naslagwerk vind jij een aanrader, zeker voor aanstormend talent?

Ik zei al iets over ‘de Schaal van Digther’, (http://digther.blogspot.com), een literair e-zine waaraan iedereen kan bijdragen als de teksten maar enig niveau halen en waarvan ik eindredacteur ben. Dat moet ik natuurlijk wel als aanrader vermelden. Het is een manier voor mij om de vinger aan de pols te houden van wat er vooral door jongeren geschreven wordt.

Jonge mensen raad ik ook altijd wel aan om hun werk ook naar andere literaire tijdschriften te sturen, toch die tijdschriften die op papier de internet-storm hebben overleefd.

Alle publicatiemogelijkheden die er zijn moet je proberen te gebruiken. Ook het internet biedt heel veel kansen tot publicatie. Eventueel beginnen met een eigen blog kan je ook al een eind op weg zetten…

Ben je lid van een literaire vereniging? Wat is de meerwaarde hiervan voor jou?

Ik ben bestuurslid van de VWS, de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers. Voor de vereniging waarvan iedereen lid kan worden, ook niet-West-Vlamingen, heb ik drie monografieën geschreven over drie West-Vlaamse dichters namelijk Magda Castelein, Philip Hoorne en Patrick Cornillie. Nu de provincie de subsidies heeft stopgezet, geven we nu elk jaar een Jaarboek van de West-Vlaamse literatuur uit. Het lidmaatschap geeft automatisch recht op een exemplaar van het jaarboek. De publicatie van het jaarboek wordt ook gekoppeld aan de toekenning van de VWS-prijs. Eerdere laureaten waren Walter Haesaert en Willy Spillebeen. Het mooie aan de VWS is dat je met zielsgenoten kunt van gedachten wisselen. Nieuwe boeken en publicaties, het schrijven zelf, het literaire wereldje, het zijn allemaal onderwerpen om lekker over door te bomen.

Hoe lang werk je gemiddeld aan één gedicht? Ben je eerder iemand die ’s nachts wakker wordt en opstaat om een ingeving te noteren, of moet je echt bewust gaan zitten en nadenken om iets neer te kunnen pennen?

Een gedicht ontstaat meestal door bijna achteloos een woord of een vers, of een idee te noteren. Dat gebeurt wel dagelijks. Vaak ook ’s nachts, jawel. Dat is de vonk die je vastlegt.

Vuur maken moet je dan weer later doen als je achter de schrijftafel zit. Want tenslotte is het met literatuur als met de meeste dingen in het leven, je bekomt niks als je er niet alle moeite voor doet.

Het komt dus, net zoals het cliché dat wil, vooral op transpiratie aan. De inspiratie zorgt enkel voor de overslaande vonken. Een gedicht ontstaat dan ook pas als je er echt, en soms dagenlang, voor gaat zitten. Er is geen geheim. Werken, en vaak zwoegen, is de boodschap. Soms laat een gedicht zich in enkele dagen schrijven, andere keren zeul je er jaren mee rond.

Neem je nog deel aan literaire wedstrijden?

Nee, zo goed als nooit meer. De meeste wedstrijden waarvoor je anoniem moet inzenden heb ik later ook gewonnen. Zo werd in de loop van de jaren, na de prijs in Oostende, poëzie van mij bekroond in Merendree, Sint-Niklaas,  Izegem en Harelbeke. Je kunt dus niet eeuwig blijven insturen. Bovendien vind ik dat dit soort prijzen vooral jonge mensen een duwtje moeten geven. Die prijzen hebben zeker een stimulansfunctie. Zeker ook die van Oostende! Daarom zetel ik ook af en toe zelf graag in jury’s, zoals onlangs bij de laatste editie van de Poëzieprijs van de Stad Izegem. Er is wel nog één prijs waar ik zelf blijf aan deelnemen. Dat is die grote Turing-prijs in Nederland. Ik haalde in het verleden al twee keer de top honderd. Niet slecht als je weet dat er voor die prijs jaarlijks meer dan 10.000 gedichten worden ingestuurd. Het bedrag voor de winnaar is dan ook niet niks, 10.000 euro.

Waar ben je op dit eigenste moment mee bezig? 

Ik ben altijd wel bezig met het schrijven van poëzie wat dan tot een nieuwe bundel moet leiden. Maar aan deadlines doe ik niet. Dat is misschien niet helemaal goed voor een schrijver. Maar het zij zo. Ik werk ook al jaren aan proza dat maar geen vaste vorm wil krijgen en voorts schrijf ik, als eeuwige freak van het wielrennen, aan een soort biografie van de wielersupporter die ik altijd geweest en gebleven ben, maar die natuurlijk evenzeer ook over mijn kijk op poëzie, literatuur, muziek en plastische kunst moet gaan… Ik hoop alvast dat er op termijn nog een aantal dingen van mij in boekvorm worden gepubliceerd.

Welke literaire zin of (deel van een) gedicht mag wat jou betreft als je epitaaf gebruikt worden?


Dat is wel een heel moeilijke…  Misschien iets uit “Tot het bestaat”, mijn recentste dichtbundel... Uit het gedicht ‘Recanati’ bijvoorbeeld: “Omdat niets voorspelbaar is, wordt alles waargemaakt in wat er staat geschreven.”

Lees hier Paul zijn Blogspot. Zijn website vind je hier

Datum van het bericht: donderdag 05 oktober 2017

Gerelateerde info:

Toon alle nieuws