Het gebouw “Huize Louise-Marie”

 

Op 23 januari 1789 verkoopt mevrouw Joseph Olliviers, geboren Marie Van den Heede, haar eigendom gelegen Langestraat 69 te Oostende aan een zekere Theodore van Moorsel. Deze telg uit een Antwerpse familie van groothandelaars werd immers op 8 juli 1782 aangesteld als één van de twee directeurs van de Compagnie d'Assurance de la Flandre utrichienne die door de Schotse bankier Guilielmus Herries te Oostende werd opgericht op 2 april 1782.


Napoleon overnachtte in dit huis tijdens zijn eerste bezoek aan de stad op 13 februari 1798. De Kamer voor Handel en Nijverheid van Oostende werd door Napoleon opgericht op 24 april 1803 en op 17 mei worden de eerste negen leden van deze Kamer verkozen waaronder Theodore van Moorsel en Jacques Serruys. Deze laatste is de vader van Edouard-Jean Serruys waarvan later nog sprake.


In mei 1811 neemt de plaatscommandant van Oostende, baron J.F.Bellard, er zijn intrek. De Fransen verlaten de stad in mei 1813 en een welgesteld Bruggeling, Antoon Sinnaeve huurt de woning aan van Moorsel. In mei 1814 wordt het huis bezet door de engelse commissaris van oorlog.


Edouard-Jean Serruys koopt dit eigendom op 23 oktober 1815 en betrok het huis persoonlijk.


In augustus 1834 wordt het huis ter beschikking gesteld van koning Leopold en koningin Louise-Marie tijdens hun verblijf te Oostende nadat de autoriteiten de wens hadden uitgedrukt aan het stadsbestuur dat Oostende een koninklijke residentie zou worden.


Edouard-Jean Serruys overlijdt in datzelfde jaar en zijn weduwe tekent op 12 maart 1835 een huurcontract met de secretaris van de koning voor een periode van twee jaar vanaf 1 mei 1835 voor de prijs van 3.000 frank per jaar te betalen in metalen munten. In 1836 wordt dit contract verlengd voor een 3-6-9 ingaande op 1 mei 1837.


Er was een ingangspoort voor koetsen in de Kapucijnenstraat en de gebouwen Langestraat 67 en Louisastraat 9 werden ingeschakeld om het ganse koninklijke gevolg te kunnen herbergen. De residentie aan de Langestraat 69 werd veelal als zomerresidentie gebruikt door het vorstenpaar waar zij zeer veel familieleden of andere gasten van koninklijke bloede ontvingen. De spoorverbinding met Brussel was immers reeds in 1838 in dienst.


In september 1843 kwam Koningin Victoria van Engeland en haar gemaal te Oostende aan.


De koningin vertoefde vaak in de belvédère die boven de zolder gebouwd was en van waaruit zij de zee kon bewonderen. Op 11 oktober overlijdt de koningin na een slepende ziekte in het bijzijn van de koning en haar moeder, de Franse koningin Marie-Amélie. Op 11 april 1867 wordt de aankoopakte verleden waarbij Leopold II eigenaar wordt van het gebouw. In 1861 echter was Leopold I reeds zinnens een chalet te bouwen op de zeedijk te Oostende. Er werd inderdaad een nieuwe koninklijke residentie gebouwd en de aankoop bewijst dat Leopold II het pand wilde bewaren als aandenken, bruikbaar voor andere doeleinden. Tijdens de zomermaanden verblijft de koning vanaf 1877 op het nieuwe koninklijke chalet op de zeedijk en de vroegere residentie werden gebruikt als logies voor de leden van het koninklijk hof en het dienstpersoneel. 's Winters nam de koning er echter ook zijn intrek.


Op 8 november 1904 verkoopt Leopold II het gebouw aan Le Domaine de la Couronne de l'état Indépendant du Congo.


Op 24 december 1906 wordt de eigendom doorverkocht aan de Onafhankelijke Staat van Kongo met als voorwaarde dat het nauwgezet bewaard en ter beschikking van de vorst moet blijven.


In 1908 wordt de Belgische Staat eigenaar door het verdrag omtrent de terugname van Kongo.


Het 'Komiteit voor Hulp en Voeding' vestigde er zijn burelen tijdens de eerste wereldoorlog.


Op 1 februari 1922 werd het pand betrokken door de directie van Bruggen en Wegen, dienst der kust en vanaf 1925 werd de ganse dienst er ondergebracht. Ondertussen had  koning Albert I In april 1922 medegedeeld dat hij wenste af te zien van het verder gebruik van het oud koninklijk paleis en dat hij het definitief ter beschikking van de regering stelde. Bij Koninklijk Besluit van 8 april 1930 werd het eigendom van de Koninklijke Schenking.


Bruggen en Wegen bleven er tot eind 1955.


Van 1957 tot 1959 kregen enkele klassen van de Stedelijke Beroepsschool voor Meisjes er een tijdelijk onderkomen.


Vanaf 1959 werd het huis betrokken door het Rijksinstituut voor Verpleegkunde en het bleef vanaf november 1980 tijd onbewoond toen de ondertussen Hoger Instituut voor Paramedische Beroepen geworden instelling haar nieuwe lokalen in de Leffingestraat ging betrekken.


Het 'oud Koninklijk Paleis' werd bij Koninklijk Besluit van 28 mei 1962 gerangschikt als monument.


Vanaf 1 april 1982 werd het gebouw verhuurd aan de Kamer voor Handel en Nijverheid
En begin 1990 nam het Vormingsinstituut voor KMO, centrum Oostende, het huurcontract over.


Na het vertrek van het Vormingsinstituut sluiten de Stad Oostende en de Koninklijke Schenking een overeenkomst waarbij de stad over het gebouw kan beschikken maar uitsluitend voor culturele doeleinden.


Het stadsbestuur beslist in 1996 in overeenstemming met het bestuur van de Oostendse Heem- en Geschiedkundige Kring De Plate er het heemkundig museum, dat ondertussen de naam wijzigde voor Oostends Historisch Museum De Plate, onder te brengen.


De maatschappelijke zetel en het secretariaat van de vzw De Plate is in het gebouw gevestigd.


Sinds 2012 heet het museum Stadsmuseum na een grondige herinrichting. Dankzij financiële steun van Europa binnen het ‘HMS Interreg IV project’ kon de Stad het museum toegankelijker maken. Het beheer van het museum ligt nog steeds in handen van De Plate met behulp van structurele en financiële ondersteuning van de Stad Oostende.